Toespraak over de hedendaagse verhoudingen tussen politiek, media en samenleving

Zoals gemeld is onze Gouverneur, Léon Frissen, tot zijn spijt niet in de gelegenheid aanwezig te zijn.  

Ik zal hier vanavond namens hem geen politieke marketing bedrijven om deze provincie, haar bestuur of zelfs het belang van deze bestuurslaag bij u te adverteren. Nee, ik sta juist graag stil bij verschijnselen als politieke marketing en de hedendaagse verhoudingen tussen politiek, media en samenleving, zoals we hier bijeen zijn. 

Denkend aan de verhouding tussen politiek en samenleving en de kloof die tussen beide bestaat, schoot mij een treffende passage uit het boek Bint van Ferdinand Bordewijk te binnen. Hij schreef 75 jaar geleden: “Niet de leraar moet buigen, maar de leerling moet klimmen”, of wel: zich verheffen.Zou je naar analogie hiervan kunnen stellen: Niet de politiek moet buigen, maar de burger, de samenleving moet zich verheffen? Want moet de kloof tussen beide worden overbrugd door het buigen van de één of door het verheffen van de ander? Moet deze kloof juist blijven? Of bestaat deze zelfs helemaal niet? 

Onlangs heeft de Raad voor het Openbaar bestuur zich gebogen over het vraagstuk van de kloof tussen de politiek en de samenleving, over het vertrouwen in de democratie. Want er is sprake van een legitimiteitscrisis, stelt de Raad. Niet zozeer omdat politici niet weten wat er onder burgers leeft. In tegendeel: in deze tijd met moderne media en communicatietechnologie heeft de politicus een beter idee van wat er in de maatschappij leeft dan ooit te voren. De kloof is volgens de Raad ontstaan doordat de samenleving horizontaliseerde in haar verhoudingen, terwijl het politieke bestuur vooral vanuit verticale, hiërarchische gezagsverhoudingen bleef opereren. 

De individualisering speelt hierbij een belangrijke rol. Waar het ík belangrijker wordt, verliezen leiderschap en bestuur -of dit nu politiek is of niet- aan gezag. Niet meer duidelijk is waar de Staat voor staat, constateert ook de Raad van State. 

Wat telt is: wat levert het op? Efficiency en effectiviteit winnen het van ideologie. Het Angelsaksische marktdenken is dominant. De overheid is op veel fronten een bedrijf geworden, met bestuurders als managers zonder staatkundige identiteit. Politiek is een beroep, geen roeping meer. 

Een openbaar bestuur waarvan de uitvoering kwalitatief achterop raakt door uitbestede diensten en het verlies van deskundige ambtenaren. Waar leraren, verpleegkundigen en agenten meer en meer tijd besteden aan verantwoording en formulieren. Een maatschappij waar een winst en verliesrekening wordt opgemaakt. Wat kosten niet-westerse allochtonen? Wat kosten gehandicapten? Wat levert een kind in de toekomst op? 

Het tast de geloofwaardigheid van het gezag aan en veroorzaakt een kloof. 

Hoe dan die de kloof te overbruggen?

Moet de burger worden verheven? Kan dat wel en komt dat niet te dicht bij staatspaternalisme? Volgens bestuurskundige Paul Frissen (geen directe familie overigens) is de politiek in de greep van de verheffing. Moraliseren is de nieuwe politieke correctheid. Verheffingsideaal en verheffingsbeleid zijn volgens hem alom.

Er zijn ook wel vragen te stellen bij verheffing door de overheid. Moet de Staat met zijn gezag en geweldsmonopolie zich bemoeien met de moraal en met ‘de waarheid’? Druist het verheffen van burgers daarmee niet in tegen de bescherming van minderheden? Bovendien: een volk kiest toch een bestuur en niet andersom? En laat de burger zich wel verheffen?  

Slaagt ú er als media in uw lezers te verheffen? Ziet u het als uw taak? De media zijn inmiddels méér dan de verzuilde doorgeefluiken van weleer. Er bestaat een nieuwe relatie tussen media en politiek. Media zijn de spil tussen politieke individuen en burgers. De partijen en hun ideologieën staan op de achtergrond. Het is personendemocratie in plaats van partijendemocratie en collectivisme. Het gaat niet alleen in de politiek om individuen, gezichten. Ook de media worden belangrijke spelers in het politieke speelveld en hebben hun eigen sterren.  

Politiek en media, ze hebben elkaar nodig, maar zijn ook rivalen. Enerzijds de media die het meer en meer gaat om scoren en amusementswaarde dan om nieuwswaarde. Hoe verheffend is de vuilniszakkenjournalistiek van HP/De Tijd? Moeten we wekenlang spreken over de zonnebril van Wouter en de broodjes haring van Guusje? Of nog erger, dat de journalistiek de politici bij het afval zet, hè Johan!Anderzijds de politici die media willen bespelen en spinnen zodat het hen uitkomt. Overkomen zoals het volk dat wil. Vorm wordt belangrijker dan inhoud. De diva’s waarover u het vanmiddag had. Ben ik in beeld?!  

Hiermee kom ik op de tweede manier om de kloof te dichten: Moet het bestuur, de politiek horizontaliseren, en dus buigen?  De Raad voor het openbaar bestuur vindt van niet: Geen politiek die met de pet in de hand in de samenleving collecteert naar opvattingen.Dit gaat vaak richting het populisme. Maarten van Rossem omschreef populisme als "het onkruid dat groeit in de kloof tussen de belofte en de werkelijkheid van de democratie". Het populisme dat veronderstelt dat er één volk met één cultuur en één waarheid bestaat; één duidelijke herkenbare volkswil. Dat met politieke marketing pragmatisme, daadkracht en leiderschap predikt, tégen het establishment. “We gaan de gevestigde politiek helemaal gek maken!” riep PVV-er Fritsma de juichende menigte mensen die het zat zijn toe. Het zijn juist de populisten die het best gebruik weten te maken van de media. Sinds Fortuyn weten we dat politiek individualisme meer ruimte biedt aan kiezers en gekozenen, dan de gevestigde partijen met hun wisselende gezichten. Het verschil tussen links en rechts doet er steeds minder toe. Des te meer speelt het verschil tussen elite en massa. Tussen politieke elite en volk.  

Dat brengt mij bij het derde aspect van de kloof: Moet deze wel worden gedicht? Is deze niet functioneel, tegen de nivellering, tegen de horizontalisering?  

Paul Frissen stelt zelfs dat de kloof niet bestaat; dat politici zo dicht op en in de  samenleving zitten dat de politieke elite juist meer distantie zou moeten nemen. De dominante politieke elite heeft zich juist te veel op het populistische vlak begeven. Hij bepleit distantie voor de politiek, niet voor de media. Een politicus mag best een domme of suggestieve vraag of een ‘geenstijltje’ afpoeieren. Zoals Ien Dales met haar tasje sloeg of Pim Fortuyn Wouke van Scherrenburg naar het fornuis verwees. Of zoals afgelopen week Jan Peter Balkenende tegen een debatleidster zei: “U kijkt zo lief.” Dat moet kunnen, toch?  

Het is het spel, de rivaliteit tussen media en politicus. Waarbij de één moet waken voor populisme en de ander voor de stijl van ‘Geenstijl’. Een politicus die niet voldoende afstand bewaart, gaat samenvallen met het beeld dat de media van hem scheppen.  

Laten wij, politiek, media en samenleving, de kloof zorgvuldig -laat ik toch maar zeggen- “managen”. Een zekere kloof is niet erg. Wel moet een betere wisselwerking ontstaan. Als politiek niet het volk naar de mond praten, maar wel naar beneden verdiepen. Wellicht enigszins verheffen, maar niet paternaliseren. Daarin kunnen en moeten de media een belangrijke rol spelen, de politiek elite helpen buigen en de burger leren klimmen. Daarvoor zijn geen vuilniszakken nodig. 

Ik wil afsluiten met woorden van Hans van Mierlo. Hij stelde: “Hoe kleiner de reikwijdte wordt van de overheid, hoe groter het probleem om de burgers het gevoel te geven dat die overheid van hen is.” 

Aan ons allen -politiek, media en burgers- de taak om er voor zorg te dragen dat de overheid van ons blijft.  


Toespraak van gedeputeerde Ger Driessen ter gelegenheid van het diner op de jaardag van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren op 28 mei 2010.